Jan Veldt (1933) groeide op in een boerengezin in Castricum en werd in 1960 priester. Hij werkte in parochies, ziekenhuizen en verpleeghuizen, met bijzondere aandacht voor mensen die vaak over het hoofd worden gezien. Lange tijd hield hij zijn homoseksualiteit verborgen, maar later kwam hij daar openlijk voor uit. Daarbij ontwikkelde hij een theologische visie: als liefde tussen mensen van hetzelfde geslacht in alle tijden en culturen bestaat, kan dat geen vergissing zijn. Net als pater Jan van Kilsdonk noemt hij homoseksualiteit “een vondst van de Schepper”. Ondanks weerstand bleef hij zich inzetten voor homo-emancipatie binnen de kerk. Sinds 2024 is hij erevoorzitter van de Stichting RK Homo-Emancipatie.
Zijn levensmotto: “Wie niet verandert, heeft niet geleefd.”

Nog voordat ik mijn eerste vraag kan stellen, begint pastor Veldt al te praten.
“In de kast blijven betekent dat je niet gelukkig bent, hè. Dat is het verdrietige. Er zijn handreikingen mogelijk, maar mensen zijn bang: als ik dat doe, wat gebeurt er dan?”
Hij vertelt hoe hij rond zijn 50-jarig priesterjubileum zijn Duitse vriend terloops aan de familie voorstelde – en hoe goed dat werd ontvangen. En in zijn woonplaats Limmen werd zijn openheid bekend, en geleidelijk werd hij een boegbeeld.
Ook vandaag, als emeritus-priester, blijft hij zichtbaar in het dorp. Zeker sinds het regenboogzebrapad werd geopend – en vervolgens beklad – wordt hij geregeld aangesproken. Een dorpsgenoot zei eens dat hij niets tegen hém had, maar wel tegen “al die aandacht voor LHBTI’ers”. Veldt koos ervoor het gesprek aan te gaan. “Daar begint het altijd,” zegt hij.
Als vanzelf schuift hij door naar de kerk. De officiële leer noemt homoseksualiteit nog steeds “intrinsiek ongeordend”. Wereldwijd proberen priesters en gelovigen dat te veranderen – niet als breuk, maar als voortschrijdend inzicht.
Zijn grootste zorg gaat echter over het heden: “We moeten opletten dat we niet teruggaan in de tijd. Er is echt een tendens dat mensen weer de kast in gaan omdat ze zich bedreigd voelen.”
Hij valt even stil. Dan stel ik mijn eerste vraag. U bent opgegroeid in Castricum. Hoe werd er in uw jeugd over homoseksualiteit gesproken – en heeft dat uw weg beïnvloed?
“Ik ben opgegroeid in Castricum, in een groot boerengezin. Over homoseksualiteit werd thuis niet gesproken — het was een taboe. Ik zag wel hoe mijn zussen met vriendjes thuiskwamen. In 1942 vierden mijn ouders hun 25-jarig huwelijk; ik was toen een jaar of acht. Op de foto heeft iedereen een vriend of vriendin bij zich, en er werden grapjes gemaakt over wie ik zou meenemen. Maar ik wist toen al dat ik nooit een meisje mee naar huis zou nemen.
Op mijn dertiende ging ik naar het seminarie. Dat was een jongensgemeenschap, en er werd streng toegezien op ‘bijzondere vriendschappen’. Als die ontstonden, werd je weggestuurd. Ik ben in die tijd verliefd geweest op een jongen, maar ik wist: als ik daaraan toegeef, is dat het einde van mijn priesteropleiding. Ik was me heel bewust van het celibaat en heb geleerd dat te integreren in mijn leven.
Later, toen ik voor mijn werk in het ziekenhuispastoraat niet meer op een pastorie woonde maar alleen, sloeg de eenzaamheid toe. Je mist iemand met wie je lief en leed deelt. Ik had in die periode wel een huishoudster; in de oude verhoudingen hadden we een goed leven, maar de eenzaamheid voelde ik sterk. Tegelijkertijd zag ik na het Tweede Vaticaans Concilie dat kloostergemeenschappen opener werden, dat er soms bijzondere vriendschappen ontstonden. Dat alles heeft mijn weg gevormd: lang zwijgen, trouw blijven aan mijn roeping, en ondertussen omgaan met wat het leven aan verlangen en gemis met zich meebrengt.”
Die stilte bleef lang. Wat deed het met u om uw homoseksualiteit verborgen te houden, juist als priester?
“Dat heeft heel lang geduurd. Pas veel later ben ik daar open over geworden. Een keerpunt was een interview in Trouw. Zij wilden spreken met homoseksuele priesters. Ik zei eerst: ‘Neem liever iemand anders, jonger.’ Die waren er wel, maar zij durfden niet mee te werken.
Toen heb ik mijn verhaal gedaan. Ik vertelde over een heel goede vriendschap met een man uit Duitsland. Hij werd ongeneeslijk ziek. Ik mocht hem bijstaan in zijn laatste fase: we woonden niet samen, maar uiteindelijk stond hier in huis zijn ziekenhuisbed. Ik ging mee naar de oncoloog, was bij alle chemokuren. Dat was een tijd van onvoorwaardelijk er zijn voor elkaar, en daar ben ik nog altijd dankbaar voor.
Naar aanleiding van dat interview kwam de bisschop bij me. Hij zei: ‘Jammer, jammer.’ Maar dat ‘jammer’ schoot bij mij verkeerd. Alsof het jammer was dat ik een zieke man had bijgestaan. Alsof ik een ongeoorloofde daad had begaan. Terwijl ik in wezen alleen een medemens had verzorgd. Dat raakte me in mijn ziel, en in het gesprek kreeg de emotie de overhand. Kort daarna volgde een schorsing: ik mocht niet meer voorgaan. Dat kwam in de krant en riep veel verontwaardiging op in de gemeenschap.
Met behulp van twee advocaten — een canonist en een civiele jurist — heb ik de zaak besproken. De bisschop was verplicht tot een vervolggesprek. Dat gesprek kwam er, rustiger, zonder emotie. Toen zei de bisschop: “Ik heb nu een heel andere pastor Veldt voor me.” Vervolgens kwam de rehabilitatie.
In Limmen leidde dat tot een bijzondere herintrede: een feestelijke viering met een bomvolle kerk. Dat liet wel zien hoeveel sympathie er was. Vanaf dat moment werd ik door sommigen een boegbeeld genoemd.
Ik heb homoseksualiteit wel eens een ‘vondst van de Schepper’ genoemd. Daarmee bedoel ik dat ieder mens geschapen is zoals hij is. Niet iedereen valt op het andere geslacht; sommigen voelen zich aangetrokken tot hetzelfde geslacht. Dat is geen fout, maar iets wat je vanaf je geboorte meedraagt. Voor mij is dat geloof altijd een bron van kracht geweest. Het geeft mij de overtuiging dat ik er mag zijn zoals ik ben.”
U hebt zich sterk ingezet voor homo-emancipatie binnen de kerk. Wat dreef u, ondanks de weerstand?
“De Stichting Rooms-Katholieke Homo-Emancipatie is opgericht om die emancipatie binnen de kerk te ondersteunen. Eén van de activiteiten is het periodiek uitreiken van de Graalbokaal, een symbool voor het hoogste wat je kunt bereiken. De oorsprong daarvan ligt in een manifestatie die ik ooit heb gehouden op het Homomonument in Amsterdam. We hielden daar een agapè-viering, een vriendenmaal zoals in de oude kerk: samen brood breken en wijn delen. Ik droeg gewone burgerkleding en er werd een foto gemaakt met een beker in mijn hand. Dat beeld werd later het uitgangspunt voor de Graalbokaal.
De bokaal is in brons gegoten, met koperen plaatjes met de namen van degenen die hem ontvangen hebben. Op 22 november 2025 is deze opnieuw uitgereikt voor de derde keer en ik mocht deze weer overhandigen.
Natuurlijk heeft mijn inzet weerstand opgeroepen. Dat spanningsveld zie ik niet alleen bij mezelf, maar ook bij collega’s. Een goede vriend van mij is priester, een hele begaafde spreker. Hij werd vaak gevraagd om voor te gaan in vieringen — juist omdat mensen geraakt werden door zijn manier van spreken. Maar dat mocht niet van de bisschop. Hij is daarop aangeklaagd, ter verantwoording geroepen. Dat gesprek is heel moeilijk geworden, en uiteindelijk is hij uit het ambt gezet. Hij is er ziek van geworden.
Ik ben veel met hem in gesprek geweest. Ik zeg hem steeds: vergeet niet waar het uiteindelijk om gaat. Niet om het juridische of het strakke van de regels, maar om je persoonlijke band met het Mysterie. Noem het zo, want welke naam je er ook aan geeft schiet tekort. Maar dat contact geeft rust, houvast, richting. Dat is de kern van ons leven.”
‘’De regenboog verdeelt niet, hij verbindt. Hij is het teken dat niemand wordt uitgesloten.’’
U geeft op scholen uitleg over het regenboogzebrapad. Hoe legt u de betekenis van de regenboog uit?
“Ja, voor mij gaat de regenboog allereerst terug naar zijn oorsprong. Ik vertel dat regelmatig op scholen, vaak naar aanleiding van dat regenboogzebrapad. Dan staan de kinderen daar allemaal omheen, helemaal onder de indruk van die kleuren. Je ziet het meteen: het opent iets bij hen.
En dan vraag ik: hebben jullie wel eens een échte regenboog gezien? En weten jullie waar die vandaan komt?
Dan neem ik mijn Bijbel erbij. Ik lees ze het verhaal voor waarin de zware regens eindelijk voorbij zijn, de aarde opdroogt, en er door de wolken heen ineens een grote boog verschijnt. En dan zeg ik: dat is het moment waarop God zegt: dit is mijn teken, mijn verbond met jullie. Een prachtige, veelkleurige boog over de héle aarde, als een belofte dat niemand wordt uitgesloten.
Dat is de kern van de regenboog. Dat hij niet verdeelt, maar verbindt. Dat hij voor iedereen is. Dat doet iets bij de kinderen. Ze begrijpen intuïtief: dit gaat over hóren bij, over er mogen zijn, wie je ook bent.
En dat is wat ik wil meegeven. Dat die kleuren niet staan voor groepen tegenover elkaar, maar voor het ene grote verbond dat iedereen omvat. Voor mij is dat de mooiste betekenis van de regenboog. En dat probeer ik de kinderen te laten voelen, niet alleen te horen.”

‘’Wie niet verandert, heeft niet geleefd.’’
Uw levensmotto luidt: ‘Wie niet verandert, heeft niet geleefd.’ Wat zou u graag veranderd zien in de katholieke kerk?
“Wat ik graag veranderd zou zien, is dat er meer ruimte komt voor wat ik noem ‘het Mysterie’. Minder nadruk op regels en meer aandacht voor wat mensen werkelijk beleven en voelen. Dáár gaat het om, en dat is wat mensen houvast en inspiratie geeft.
Je kunt natuurkundig uitleggen dat een regenboog ontstaat door prismawerking van licht en water. Maar waar het om gaat, is de beleving. Je ziet die boog staan over de aarde en je raakt in verwondering. Dat wil ik mensen meegeven: dat ze weer leren kijken en zich laten raken.”
In de Catechismus staat dat homoseksuele daden niet zijn toegestaan, terwijl homoseksuele mensen met respect moeten worden bejegend. Waarom moet die visie volgens u worden herzien?
“Dat artikel wordt wereldwijd nog steeds als een stok gebruikt. In landen als Oeganda heeft het directe gevolgen: daar staat de doodstraf op homoseksualiteit. Soms is het al genoeg dat iemand vermoedt dat je homo bent. Dat leidt tot uitsluiting en gevangenschap. Het raakt me diep dat de kerk daar niet duidelijker tegenin gaat.
Ik denk dat dat artikel herschreven moet worden. Niet als breuk, maar als voortschrijdend inzicht: de mens is geschapen zoals hij is. Niet alle mannen vallen op vrouwen; niet alle vrouwen op mannen. Er zijn mensen die zich aangetrokken voelen tot hetzelfde geslacht — dat draag je vanaf je geboorte mee. Dat verdient erkenning en respect. Stel je voor wat het zou betekenen als de kerk wereldwijd zou zeggen: jij hoort erbij, precies zoals je bent. Dat zou levens redden.”
Veel jonge LHBTI’ers zeggen: ‘Wij laten ons niet meer de kast in jagen.’ Hoe ziet u die nieuwe generatie?
“Dat vind ik zo dapper. Onbevangen. Ze weten vaak nog niet wie ze precies zullen worden, maar ze durven zichzelf te zijn. Dat ontroert me.
En ik zie ouders die hun kinderen omarmen — dat geeft hoop. Als je ziet hoe die jongeren staan voor wie ze zijn, denk ik: dáár kunnen we allemaal iets van leren.”

‘’Niet iedereen valt op het andere geslacht; sommigen voelen zich aangetrokken tot hetzelfde geslacht. Dat is geen fout, maar iets wat je vanaf je geboorte meedraagt.’’